de rechtspraak deel 3

In het item ‘fraude op rechtspraak.nl’ had ik geschreven dat ik een klacht had ingediend tegen een advocaat bij de Orde van Advocaten in Gelderland. De advocaat werkt in Amsterdam maar staat ingeschreven in Gelderland.

Het contact met de Orde van Advocaten Gelderland heb ik ervaren als correct. De communicatie was tot mijn grote verrassing heel normaal en transparant. Ik probeerde via de Orde nogmaals aan de advocaat duidelijk te maken dat hij tekort was geschoten toen hij mijn zaak behandelde (zie het item ‘fraude op rechtspraak.nl’). De advocaat wilde ook via de Orde van Advocaten geen kritiek op zijn functioneren accepteren. In eerste instantie wilde ik dat de advocaat mijn financiële schade ging vergoeden. In de algemene voorwaarden van de advocaat staat namelijk dat zijn kantoor schade vergoedt welke voortvloeit of verband houdt met de uitvoering van een opdracht door zijn kantoor. Maar de advocaat vond dat hij mijn zaak goed had behandeld. Het bleek ook via de Orde van Advocaten niet mogelijk om tot de advocaat door te dringen.

Ik had van de Orde van Advocaten begrepen dat ik mijn zaak verder kon voorleggen aan een geschillencommissie. Via die geschillencommissie kon ik een financiële schadevergoeding vragen van de advocaat. Een andere optie was om de zaak voor te leggen aan de tuchtrechter bij de Raad van Discipline. Langs die weg zou mijn financiële schade niet vergoed worden maar ik zou misschien wel kunnen achterhalen waarom de advocaat niets zei op de zitting. Ik koos ervoor om liever te weten waarom de advocaat niets zei op de zitting bij de rechtbank. Daarom koos ik ervoor om de zaak voor te leggen aan de tuchtrechter bij Raad van Discipline. Ik wil weten of de advocaat een black out had of dat hij samenwerkte met Ymere en er bewust voor heeft gekozen om zich niet in te zetten voor mijn zaak.

Het contact dat ik had met de Raad van Discipline Arnhem Leeuwarden was ook correct. Net zo correct als met de Orde van Advocaten Gelderland. Alleen op het laatst werd er door de Raad van Discipline niet meer met mij gecommuniceerd. De Raad van Discipline leek toch de behoefte te hebben om de advocaat te beschermen.

De Raad van Discipline stuurde een oproep voor een zitting op 10 mei 2021 om de klacht te behandelen. De zitting was in Arnhem en ik woon in Amsterdam. Ik had wat mij betreft alles al geschreven en alle relevante stukken ter onderbouwing ook al opgestuurd. Mijn aanwezigheid op de zitting vond ik niet van toegevoegde waarde. Sterker nog, ik was van mening dat mijn aanwezigheid mijn zaak geen goed zou doen omdat de advocaat zich elke keer richtte tot mijn persoon in plaats van mijn klacht. Ik wilde dat de advocaat bij de Raad van Discipline op de klacht en de stukken reageerde en niet op mijn persoon. De advocaat klaagde namelijk net als Ymere over mijn blog. Dat vind ik een afleidingsmanoeuvre zodat het niet om hem of de klacht gaat. Terwijl de zaak bij de Raad van Discipline om hem moet gaan. Ik heb daarom aan de Raad een mail gestuurd waarin ik schreef dat ik niet naar de zitting kwam en ook waarom ik niet naar de zitting kwam. De Raad heeft toen gereageerd door mijn mail ook naar de advocaat te sturen omdat het bericht naar alle partijen gestuurd dient te worden.

Op 10 mei 2021 was dus de zitting. Op donderdag 6 mei stuurde de advocaat een email naar de Raad van Discipline waarin staat dat hij niet op de zitting bij de Raad van Discipline zou verschijnen. Hij had een pleitnota geschreven en daar moest de Raad het mee doen. Mijn e-mailadres werd vermeld in de cc zodat ik het e-mailbericht ook kreeg. De advocaat schreef dit aan de Raad van Discipline:

  • Mail van de advocaat:

Geachte mevrouw (-),

Bijgaand treft u de pleitnota in bovengemelde zaak. Zoals wij telefonisch bespraken kom ik niet naar de zitting op 10 mei.

Een kopie van dit bericht zend ik aan klaagster.

Met vriendelijke groet,

  • (-)

Ik vind het typisch voor de advocaat om kort voor de zitting een dergelijke mail te sturen. Een voor mij belangrijke mail kreeg ik ook kort voor de zitting en dan ook nog ‘s avonds. Voor degene die zijn mail ontvangt is er niet veel tijd om er nog op te reageren. De zitting was op maandagochtend en hij mailt donderdagmiddag bijna eind van de werkdag. Er is nauwelijks 1 dag om op zo’n belangrijk bericht te reageren. Maar dit terzijde.

Uit bovenstaande email van de advocaat blijkt dat de advocaat een telefonisch gesprek met de Raad heeft gehad. Aangezien hij van de Raad mocht -en zelfs moest- weten dat ik niet naar de zitting kwam en waarom ik niet naar de zitting kwam, heb ik per email aan de Raad gevraagd waarom de advocaat niet naar de zitting kwam. Daar kreeg ik geen antwoord op. Eerder mochten we verhinderdata doorgeven aan de Raad van Discipline en zij hadden 10 mei als zittingsdatum gekozen. Daaruit leid ik af dat de advocaat die datum niet had opgegeven als verhinderdatum. Ik wilde weten waarom die l*l niet op de zitting wilde verschijnen. De Raad van Discipline reageerde niet op deze vraag en de telefoon werd niet meer opgenomen. De telefoon ging heel lang over of ik kreeg een antwoordapparaat. Op deze manier zou ik de Raad van Discipline Arnhem Leeuwarden natuurlijk nooit te spreken krijgen vóór de zitting.

Ik belde daarom de Raad van Discipline in Amsterdam op voor meer informatie. Ik wilde weten of het gebruikelijk was dat een advocaat niet op een zitting bij de Raad van Discipline verschijnt terwijl er op die zitting een klacht tegen die advocaat behandeld gaat worden. Volgens de Raad van Discipline in Amsterdam is het hun ervaring dat advocaten altijd verschijnen op een zitting waar een klacht tegen hen behandeld wordt. Maar ze wilden mij verder niet te woord staan toen ik aan hen vertelde dat een advocaat tegen wie ik een klacht had ingediend had afgezegd voor de zitting en dat hij een pleitnota had geschreven waar de Raad van Discipline het mee moest doen. De vestiging Amsterdam wilde zich er verder niet mee bemoeien en adviseerde mij om echt de Raad van Discipline Arnhem Leeuwarden te benaderen. Daar werd de telefoon niet opgenomen. Ik heb daarna nooit meer contact met de Raad van Discipline Arnhem Leeuwarden gehad. Ze hebben verder niet gereageerd op mijn mails. Op 5 juli 2021 ontving ik wel hun uitspraak. Die uitspraak ga ik bijna in zijn geheel in dit item publiceren. Alleen het eerste blad met persoonsgegevens publiceer ik niet.

Eerst publiceer ik de pleitnota van de advocaat hieronder zodat je zijn reactie kunt lezen op mijn klacht zoals omschreven in het item ‘fraude op rechtspraak.nl’ De advocaat blijft er elke keer over klagen dat ik hem heb ontslagen. Dat blijft hij volhouden terwijl hij zelf tegen mij had gezegd dat er geen hoger beroep mogelijk was tegen de uitspraak van de kantonrechter. Er viel dus niemand te ontslaan maar hij blijft het volhouden. Ook in deze pleitnota. Hieronder vind je de hele pleitnota van de advocaat. Alleen het eerste blad met o.a. zijn persoonsgegevens heb ik weggelaten.

  • Pleitnota van de advocaat:

Edelachtbare Heer, Vrouwe,

1. Vandaag is aan de orde of ik klachtwaardig gehandeld zou hebben jegens klaagster. Ik ben van mening dat dit niet het geval is.

2. Klaagster klaagt blijkens haar e-mail van 23 april jl. over vijf zaken. De eerste klacht gaat over het gebrek aan contact. Deze klacht is ongegrond. Er is één keer een mailtje gemist door mij. Kort daarna heb ik deze e-mail alsnog beantwoord. Als klaagster voor de comparitie een afspraak had willen maken had zij daarom kunnen verzoeken. Dat heeft zij echter niet gedaan. Telefonisch ben ik goed bereikbaar. Als is er niet ben, wordt er doorgeschakeld naar een secretaressebureau. Ik heb geen enkel bericht van het secretaressebureau over klaagster kunnen vinden. Als zij gebeld had, had ik haar uiteraard teruggebeld.

3. De tweede klacht is dat ik niets inhoudelijks zou hebben gezegd. Als U E.A. het vonnis van de kantonrechter leest, kunt u zien dat alles is gezegd tijdens de zitting. Klaagster zegt niets over iets dat ik niet gemeld zou hebben. Het is mij een raadsel wat ik niet gezegd zou hebben.

4. Klaagster toonde mij op de zitting een document. Ik kon dat niet lezen, omdat het in mijn herinnering een kopie was van een handgeschreven stuk. In randnummer 3.3 van het vonnis citeert de kantonrechter uit dit stuk. De kantonrechter heeft het stuk dus wel degelijk gelezen. Als klaagster – zoals te doen gebruikelijk – voor de zitting mij het stuk had getoond, had ik het waarschijnlijk wel kunnen lezen. Klaagster had er beter aan gedaan het stuk ruim voor de zitting aan mij te overhandigen. Gelukkig voor klaagster heeft de kantonrechter – in strijd met het procesreglement – het klaagster toch toegestaan het stuk te verstrekken. Ook deze klacht is dus ongegrond.

5. Na het vonnis heb ik inderdaad aangegeven dat hoger beroep niet mogelijk is. Dat leid ik af uit art. 37 lid 4 UHW. De wettekst luidt als volgt: “De huurcommissie wijst in haar uitspraak partijen op de in artikel 7:262 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde mogelijkheid zich tot de rechter te wenden, alsook op de vorm en de termijn die daarbij in acht moeten worden genomen.” In art. 7:262 lid 2 BW staat: “Tegen een beslissing krachtens dit artikel is geen hogere voorziening toegelaten.” Ook uit Commentaar op het Burgerlijk Wetboek (productie 4) leid ik af dat hoger beroep niet mogelijk is. Uit het arrest van het Hof Amsterdam van 25 juni 2013 leid ik af dat hoger beroep tegen het vonnis niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dat betekent dat de klacht over het advies niet te appelleren tegen het vonnis ongegrond is.

6. Wel heb ik klaagster erop gewezen dat het mogelijk is het vonnis te herroepen, gelet op art. 382 Rv. Immers, uit het vonnis blijkt, gelet op randnummer 3.3, dat Ymere de renovatie waaruit dat het gehuurde nieuwbouw is, betwist. Uit gegevens die klaagster bij de Gemeente Amsterdam heeft opgevraagd volgt dat de woning van klaagster wel ingrijpend is verbouwd. Ik heb de gemeente gebeld, en heb de gemeente gevraagd of de nieuwbouwnormen gelden voor de door klaagster gehuurde woning. Dat blijkt niet het geval te zijn. Daarom is de norm over geluidsoverlast die de kantonrechter hanteert de juiste norm. Ik heb dat aan klaagster meegedeeld. Vervolgens ontsloeg klaagster mij als haar advocaat.

7. Klaagster wijst op het ontruimingsvonnis van de kantonrechter d.d. 11 oktober 2018. In dat vonnis staat inderdaad dat klaagster geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 26 oktober 2017. Het is mij een raadsel waarom de kantonrechter ervan uit gaat dat hoger beroep mogelijk is.

  • 8. Klaagster verwijt mij dat ik een print van het vonnis over de afwijzing van de schuldsanering heb overgelegd. Dat vonnis zou vervalst zijn. Ik heb dat vonnis gevonden op rechtspraak.nl. Ik heb geen idee wie dat vonnis daar heeft geplaatst. Ik heb daar in ieder geval de hand niet in gehad. Met Ymere heb ik geen contact meer inzake klaagster.

 

  • Dit is de uitspraak van de Raad van Discipline:

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 22 augustus 2019 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 1 september 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K19/114 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 mei 2021. Zoals voorafgaand aan de zitting door beide partijen was aangekondigd is geen van partijen ter zitting verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder nog pleitnotities gezonden.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 16. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van klaagster van 23 april 2021 en van de pleitnotities van verweerder.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

2.2 De klacht betreft het optreden van verweerder als advocaat van klaagster in een huurrechtprocedure in de periode vanaf oktober 2016 tot en met oktober 2017. Verweerster huurde van een woningcorporatie een woning, gelegen te Amsterdam.

2.3 Er was sprake van geluidsoverlast in de woning als gevolg van onvoldoende geluidsisolatie. In verband met dit gebrek heeft de huurcommissie bij beslissing van 8 december 2000 de huurprijs met ingang van 1 juni 2000 tijdelijk verlaagd. Op 3 juni 2016 heeft de woningcorporatie de huurcommissie verzocht om te bepalen vanaf welke datum zij aan klaagster weer de oorspronkelijke huurprijs in rekening mocht brengen. Bij beslissing van 25 oktober 2016 heeft de huurcommissie beslist dat de (hogere) huurprijs vanaf 1 juli 2016 in rekening mocht worden gebracht omdat klaagster (aldus de huurcommissie) niet mee wilde werken aan verdere werkzaamheden om het gebrek van de woning te herstellen.

2.4 Daar was klaagster het niet mee eens. Op 23 januari 2017 heeft klaagster bij de kantonrechter een procedure tegen de woningcorporatie aanhangig gemaakt, waarin zij door verweerder is bijgestaan. Bij vonnis van 26 oktober 2017 heeft de kantonrechter onder meer als volgt geoordeeld: Uit het voorgaande volgt dat het gehuurde wordt aangemerkt als bestaande bouw en dat wordt aangesloten bij de in het Gebrekenboek gehanteerde maatstaf. Uit die maatstaf volgt dat er geen sprake is van een gebrek, waardoor er evenmin gronden zijn voor een huurvermindering ook na 1 juli 2016.”

2.5 Bij e-mail van 27 oktober 2017 heeft verweerder het volgende aan klaagster geschreven: Vandaag ontving ik het vonnis. Helaas heeft de kantonrechter de vordering afgewezen.

(..)

Er is geen hoger beroep mogelijk.”

2.6 Hierna is de woningcorporatie een ontruimingsprocedure tegen klaagster gestart. Bij vonnis van de rechtbank van 1 oktober 2018 is klaagster veroordeeld tot ontruiming en verlating van de woning. In dit vonnis is onder meer het volgende overwogen:

Tegen het vonnis van de kantonrechter van 26 oktober 2017 heeft ….. [klaagster] geen hoger beroep ingesteld. Inmiddels is dit vonnis in kracht van gewijsde gegaan, zodat de beslissing in dat vonnis in deze procedure bindend is.”

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) klaagster verkeerd te adviseren met betrekking tot het hoger beroep tegen het vonnis vande kantonrechter van 26 oktober 2017;

b) gebrekkige bijstand te verlenen tijdens de comparitie van partijen;

c) niet of slecht te communiceren met klaagster en slecht bereikbaar te zijn;

d) geen gebruik te maken van de door klaagster toegezonden bewijsstukken.

3.2 Ter onderbouwing van haar klacht heeft klaagster het volgende naar voren gebracht:

ten aanzien van klachtonderdeel a)

3.3 In zijn e-mail van 27 oktober 2017 geeft verweerder aan dat het niet mogelijk is om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis. Later is klaagster er achter gekomen dat het wel mogelijk was geweest om in hoger beroep te gaan.

ten aanzien van klachtonderdeel b)

3.4 Tijdens de comparitie van partijen bij de kantonrechter kreeg verweerder een black-out.

ten aanzien van klachtonderdeel c)

3.5 Verweerder heeft de conclusie van antwoord in reconventie (hierna: de conclusie) niet op voorhand aan klaagster voorgelegd. Daarnaast was verweerder vanaf één maand voor de comparitie slecht (telefonisch) bereikbaar.

ten aanzien van klachtonderdeel d)

3.6 Klaagster heeft meerdere bewijsstukken aan verweerder toegezonden die voor de zaak van belang waren om in te brengen in de procedure. Verweerder heeft hier niets mee gedaan.

4 VERWEER

4.1 Verweerder ontkent tuchtrechtelijk verwijtbaar te hebben gehandeld en heeft – naast het verweer dat bij de beoordeling van de klacht besproken zal worden – tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a)

4.2 Klaagster zou in hoger beroep niet-ontvankelijk zijn verklaard. Tegen de beslissing in kwestie is geen hoger beroep mogelijk. Bovendien zou een hoger beroep, indien klaagster al ontvankelijk zou zijn, een kansloze onderneming zijn, omdat voor gerenoveerde woningen niet de geluidseisen voor nieuwbouw gelden.

Klachtonderdeel b)

4.3 Verweerder heeft tijdens de comparitie geen black-out gehad. Verweerder heeft de belangen van klaagster op de zitting adequaat behartigd en alles wat van belang was is aan de orde gekomen.

Klachtonderdeel c)

4.4 De conclusie is inderdaad ingediend zonder deze eerst aan klaagster voor te leggen. Dit was niet nodig omdat de inhoud van de conclusie al op 1 mei 2017 met klaagster was besproken.

4.5 Verweerder heeft eenmaal een e-mail van klaagster gemist maar verder is de communicatie met klaagster goed geweest. Na haar rappel heeft verweerder onmiddellijk op de gemiste e-mail van klaagster gereageerd. Op de e-mail van klaagster van 25 juli 2017 heeft verweerder inderdaad pas op 11 augustus 2017 gereageerd. Dat was op tijd. Daarnaast was verweerder telefonisch goed bereikbaar. Als hij niet aanwezig is wordt de telefoon door iemand anders beantwoord en krijgt verweerder hierover een e-mail.

Klachtonderdeel d)

4.6 De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de zaak ligt bij verweerder. De door klaagster aangeleverde stukken waren niet relevant voor de zaak. Daarom zijn deze niet in de procedure ingebracht.

5 BEOORDELING

5.1 Het betreft een klacht tegen het handelen van een eigen advocaat. Bij de beoordeling van een dergelijk handelen geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat daarbij heeft is niet onbeperkt maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengt dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a)

5.2 Door verweerder is gemotiveerd en onder verwijzing naar wetsartikelen (art. 7:262 lid 1 en 2 BW) en een uitspraak van het hof Amsterdam van 25 juni 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:3478) uiteengezet dat en waarom er in zijn visie geen hoger beroep mogelijk was. Deze zienswijze komt hierop neer dat tenzij er sprake is van schending van een behoorlijke procesorde (een nuance die in de literatuur is ontwikkeld) geen hogere voorziening openstaat.

5.3 Tegenover de juridisch gefundeerde uiteenzetting zoals in de vorige alinea is weergegeven heeft klaagster ter onderbouwing van haar klacht dat over de beroepsmogelijkheid een foutief advies is gegeven niet meer naar voren gebracht dan dat de rechtbank in het ontruimingsvonnis heeft overwogen dat klaagster geen hoger beroep had ingesteld. Daaruit leidt klaagster af dat de rechtbank hoger beroep in ieder geval mogelijk en vermoedelijk zelfs kansrijk oordeelde. Anders dan waarvan klaagster uitgaat leest de raad in deze overweging echter niets meer dan dat het hier gaat om een samenvatting van de situatie zoals deze was, waarbij het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan.

5.4 Klaagster heeft niets aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zich de in de literatuur ontwikkelde uitzonderingsituatie voordeed. Derhalve is niet gebleken dat het door verweerder gegeven advies dat geen hoger beroep mogelijk was fout en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

5.5 De raad verklaart klachtonderdeel a) derhalve ongegrond.

Klachtonderdeel b)

5.6 Verweerder ontkent dat hij tijdens de comparitie een black-out heeft gekregen. Daarvan blijkt ook niets uit het proces-verbaal van de behandeling. Dit klachtonderdeel is algemeen gesteld en niet met concrete feiten onderbouwd. Een feitelijke grondslag voor een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen ontbreekt.

5.7 De raad verklaart klachtonderdeel b) derhalve ongegrond.

Klachtonderdeel c) eerste gedeelte en klachtonderdeel d)

5.8 Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.9 Het verwijt komt hierop neer dat verweerder de conclusie niet aan klaagster heeft voorgelegd alvorens deze is genomen en daarin niet de bewijsstukken heeft opgenomen die klaagster relevant oordeelde en op voorhand aan verweerder had toegezonden.

5.10 Bij e-mail van 2 augustus 2017 heeft klaagster twee stukken aan verweerder toegezonden die zij – aldus de e-mail – nog had gevonden en waarvan het klaagsters bedoeling was dat die in de procedure zouden worden ingebracht. Op 11 augustus 2017 is de conclusie genomen. Verweerder erkent dat de conclusie niet op voorhand ter beoordeling aan klaagster is voorgelegd en dat de aan hem toegezonden stukken niet, althans niet volledig, in het processtuk zijn verwerkt.

5.11 Zoals ook blijkt uit gedragsregel 16 rust op een advocaat de verplichting om zijn cliënt over belangrijke zaken te informeren. Weliswaar heeft een advocaat een grote mate van zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid bij het uitvoeren van zijn opdracht maar daaraan doet niet af dat het nemen van een conclusie een moment bij uitstek is waarin een advocaat uitleg aan zijn cliënt dient te geven over de door hem te zetten stappen en daarvoor consent moet vragen. Als dit was gebeurd had ook het probleem dat zich nu feitelijk heeft voorgedaan (namelijk dat er frictie ontstond tussen de wijze waarop klaagster het verweer gevoerd wilde hebben en waarop dat in werkelijkheid gevoerd is) voorkomen kunnen worden. Verweerder had aan klaagster ook een terugkoppeling moeten geven welke uitvoering hij aan het (weliswaar impliciete maar voor verweerder toch duidelijke) verzoek van klaagster om bepaalde stukken in het geding te brengen zou geven. Dit heeft verweerder nagelaten.

5.12 De raad verklaart het eerste onderdeel van klachtonderdeel c) en klachtonderdeel d) derhalve gegrond.

Klachtonderdeel c) tweede gedeelte

5.13 Voor zover dit klachtonderdeel het verwijt bevat dat verweerder vanaf een maand voor de comparitie telefonisch slecht bereikbaar was is dit verwijt dat door verweerder wordt ontkend niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt.

5.14 Vaststaat dat verweerder één keer een e-mail van klaagster heeft gemist en een andere e-mail van klaagster wat later (na ruim 14 dagen) heeft beantwoord. Het eerste kan gebeuren en onweersproken is door verweerder gesteld dat hij nadat hij daarop door klaagster was gewezen deze e-mail alsnog heeft beantwoord. Meer is niet komen vast te staan. Deze feiten rechtvaardigen niet de conclusie dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar tekort is geschoten.

5.15 Voor het overige verklaart de raad klachtonderdeel c) derhalve ongegrond.

6 MAATREGEL

6.1 De raad heeft alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen waaronder het feit dat verweerder een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft en is op grond daarvan tot de conclusie gekomen genomen dat volstaan kan worden met het opleggen van een waarschuwing.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer 20-657/AL/GLD.

BESLISSING

De raad van discipline:

– verklaart klachtonderdeel c) in zoverre als hierboven is aangegeven en klachtonderdeel d) gegrond;

– verklaart klachtonderdeel c) in zoverre als hierboven is aangegeven en de klachtonderdelen a) en b) ongegrond;

– legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op;

– veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

– veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

  • Aldus beslist door (…), leden, bijgestaan door (…) als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2021.

Zoals je hebt kunnen lezen is alles ongegrond verklaard door de Raad van Discipline. Alleen op een klein puntje heb ik gelijk gekregen zodat ik misschien ophoud met dat gezeik. Ik wilde dat de waarheid op tafel kwam. Was misschien wat ambitieus.

Ik krijg de indruk -maar ik ben heel wantrouwig- dat de Raad van Discipline de weg vrij heeft gemaakt zodat de advocaat kan eisen dat ik niet meer zeg dat hij niets zei op de zitting. Volgens de Raad van Discipline is dat niet gebeurd omdat er niets over staat vermeld in het proces verbaal. Alles wat in het vonnis staat en alle stukken die zijn vermeld, heb IK ter sprake gebracht in de rechtszaal. Ik zeg dat niet om mezelf te prijzen want het was allemaal wanhoop. Ik zag gewoon dat de hele rechtszaak helemaal de verkeerde kant op ging toen iedereen communiceerde over mijn zaak behalve de advocaat die ik zelf had ingeschakeld. Ik wist niet wat ik moest doen om de zaak te redden maar ik realiseerde mij wel dat ik er alleen voor stond. Vanuit die wanhoop heb ik gereageerd op alles wat de tegenpartij en de kantonrechter bespraken. Voor zover ik begreep waar zij over spraken.

De rechter heeft tijdens de zitting niets gezegd over het gedrag van deze advocaat in de rechtszaal. Ze had er gewoon geen belangstelling voor. Rechters zijn mensen die hele gezinnen op straat flikkeren. Daarna gaan ze om 17:00 uur naar huis. Het zware werk is volbracht. Mensen uit huis zetten zodat ze dakloos raken is een grove schending van mensenrechten maar bij de rechtbank noemen ze dat recht. Zulke mensen interesseert het echt niet dat jouw advocaat niet functioneert. De rechter heeft er in de rechtszaal geen woord aan vuil gemaakt en ook niet in het vonnis. Betekent dat dat het voorval niet heeft plaatsgevonden? Nee! Want ik zat naast die eikel!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *